Doorgaan naar hoofdcontent

Het probleem van de kunst


Een fictieve dialoog 

H: ‘Maar man, gij begrijpt toch ook wel dat de kunst zijn werk heeft gedaan voor ons! De Geest heeft zich al geopenbaard, nu vallen we gewoon in herhaling. Napoleon, Jezus aan het kruis en ik, wij hebben een punt achter de geschiedenis gezet.’

N: ‘Wat zit gij nu weer te zeveren over die Geest van u? In de naam van de vader de zoon en de heilige geest amen, zeker? Dat gebazel haalt niks meer uit! De kerken lopen leeg, de ateliers ook. God is dood en het is gedaan met de kunst.’

H: ‘Goed punt, ik denk ook dat de filosofie het dus heeft overgenomen van religie. Wij zullen de mensen bieden wat God hen niet meer kan bieden. Denken over het denken zelf, dát is de superieure vorm van zelfbewustwording waarover ik spreek.’

L: ‘Zelfbewustwording, puh! Daar zegt ge zoiets. Waar in uw redeneringen zegt gij iets over de gruwel van de confrontatie tussen uw bewustzijn en de afgrondelijke gedachte aan het verpletterende niets? Ge zijt allebei aan het zeveren. Kunst is het enige wat ons nog in leven houdt, want zonder die gruwel bestonden we niet eens! Kom me niet vertellen dat die gedachte u geen angst aanjaagt. En dan heb ik het nog niet eens over uw ‘esthetica’.

H: ‘Kunst! Hah! Uw definitie van kunst gaat aan alle kanten mank. Als we u mogen geloven, dan vervult zelfs een tafel de rol van kunstwerk. Ge gaat mij niet wijsmaken dat Jezus aan het kruis hetzelfde is als de antieke tafel van uw oma.’

N: ‘Wat is dat nu toch met die Jezus van u? God is dood, ik zeg het nog.’

L: ‘Maar hou dan toch eens op over God! En al helemaal over mijn oma! Stel nu dat die tafel er nu voor zorgt dat ik het sublieme ervaar, dan-’



U ziet het al, mensen. Zo geraken we helemaal nergens. Ze willen nochtans allemaal hetzelfde zeggen: De kunst heeft een probleem.
Hegel vindt dat dat probleem niet te verhelpen is. De kunst heeft gezegd wat ze te zeggen had, en is van cruciaal belang geweest. Maar de Geest is zich nu zelfbewuster geworden en reist door naar andere oorden. Ze wandelt via de kerk het deurtje van de filosofie binnen, en zo herhaalt alles zich. Nu, mispak je niet. Die Geest heeft niks met God te maken, het is een algemeen bewustzijn dat zin geeft aan de geschiedenis. Het ultieme doel van de Geest is om zichzelf volledig te begrijpen.
De reden dat de antieke tafel van de oma geen echte kunst is volgens Hegel, is omdat die niet leidt tot de verdere zelfbewustwording van de Geest. Dit is de u welbekende dienende kunst.

Nietzsche blijft maar bezig over God en de kunst die dood zijn. Hij bedoelt daar uiteraard mee dat de kunst gedoemd is om af te takelen. Mensen, zo zegt Nietzsche, doen te veel dingen niet meer au sérieux. De tijd dat kunstenaars zich volledig, met heel hun zijn, konden overgeven aan een idee, is voorbij. Daarom rest er ons niets meer. We kunnen enkel nog nostalgisch rondkuieren door de ruïnes van de kunst. Zoals Sam Dillemans het formuleert, niets is zo erg als ‘nen halve’ zijn. We kijken terug naar toen kunstenaars echte kunst konden maken, en toen de mens die kon begrijpen. Kunst is nu enkel nog een lege schelp, die mooi blinkt, maar waar verder ook niks uit te halen valt. Dat is vooral onze schuld. Schoonheid was vroeger een verwijzing naar, een verzachtende sluier voor het afgrijselijke, het beangstigende en het metafysische. En nu… een slinger mist hangt boven de ruïne, en je huivert. Wat begrijpen wij nog, nu de kunst het ons niet meer kan uitleggen. Volgens Hegel begrijpen we nu alles, maar daar is Nietzsche het niet mee eens. De kunst kan ons de essentie van de wereld niet meer duidelijk maken, en de mist wordt dikker.

Dan is er nog Lyotard… hoeveel goeds heeft hij te zeggen over de kunst? Als we hem mogen geloven, dan is de kunst een bloedbad. Hij heeft het over de schrijnende angst die men voelt wanneer men geconfronteerd wordt met de gapende afgrond tussen ons bestaan en wat ons bestaan had kunnen zijn. Die angst is verslindend, want wat is er nu verterender dan de gedachte aan het allesomvattende niets? De esthetische ervaring sleurt ons bewustzijn aan de haren naar buiten, en laat ons een tijdje met stoïcijnse kalmte bengelen boven de afgrond. Hoe gruwelijk deze doorbraak van het alledaagse ook lijkt, het is noodzakelijk om ons bewustzijn levende te houden. We leren wat we zijn, door te zien wat we allemaal niet zijn.
Het eigenlijke probleem voor Lyotard zit hem in het nihilisme. Alles kunst er niet in slaagt om ons deze ‘sublieme’ ervaring te geven, dan zijn we verdoemd. Het is dus de taak van de kunst om ons bestaande te houden. Lyotard ziet in Europa een aangroeiend nihilisme en dus een verlies aan kracht in de kunst.

Hun eerste gemeenschappelijke punt is dus het feit dat ze alledrie een probleem in de kunst zien, wat meteen ook het eerste punt is waarbij ik mijn mening tegenover de hunne zet. Ik denk namelijk niet dat de kunst een probleem hoeft te hebben. Heel realistisch en niet-filosofisch gesproken nu, maar je kan overal een probleem in zoeken.
Ik zal hier zodadelijk op terugkomen, maar nu wil ik het eerst even hebben over een tweede overeenkomst.
Alle drie zien ze een soort van dialectisch proces in de kunst. Hegel in de eerste plaats natuurlijk, maar ook Nietzsche spreek van een proces. Hij gaat naar een fase waarbij de vorm uitleg vergt en de betekenis primeert. Lyotard lijkt naar een soort zelfkennis via de zintuiglijke waarneming te willen gaan, die lichtelijk parallel zou kunnen lopen met Hegels zelfbewustwording. Dit lijkt mij een interessante en waardevolle gedachte.

Er zijn dus wel degelijk belangrijke parallellen die je kan trekken tussen drie. De kunst heeft dus blijkbaar een probleem. Ik heb het al eerder gehad over het theater, en dat ik inderdaad vind dat er daar een probleem zit. Toch worstel ik een beetje met de visies die worden aangereikt, vooral met die van Hegel.
De reden dat ik zo lang niks over Hegel heb gezegd is omdat ik niet weet wat ik met hem aanmoet. Goed, als je er van uit gaan dat de geschiedenis naar de ‘zelfbewustwording van de Geest’ toewerkt, dan mankeert er niks aan Hegel’s redenering. Het is juist dat specifieke universum waarin zijn theorie zich afspeelt dat wringt bij mij.
Ook Lyotards commentaar op de kunst lijkt mij vrij overdreven. Ik heb een kunstwerk nooit ervaren als een gewelddadige gebeurtenis en ik betwijfel of iemand anders dat ooit wel al heeft gehad.

Ik zou het probleem van de kunst niet bestempelen als een verkrachting of een heus zelfbewustwordingsproces. Ik zou het eerder vergelijken met de economie.
In de economie kent men periodes van hoog- en laagconjunctuur. Het moet altijd even slechter gaan voor het beter kan worden, en wanneer het beter wordt, wordt het ook daadwerkelijk beter dan daarvoor. Zo vergaat het de kunst ook.
De kunst duwt altijd een beetje tegen de grenzen van de maatschappij. Het feit dat de laatste tweeëneenhalve eeuw zoveel aandacht naar de problematiek van de kunst gaat, wil misschien zeggen dat we op een soort breekpunt zitten. Dat gaat dus traag, maar het gebeurt wel. Er zit iets niet helemaal goed meer in de kunst. Vroeger bestond vrije kunst niet, kunst was een propagandamiddel, of een verzachting voor het afgrijselijke, zoals Nietzsche zegt.
Op een gegeven moment emancipeert de kunst zich. Er ontstaan bewegingen van mensen die kunst maken omwille van de kunst, zonder enig doel buiten de kunstenaar zelf. De vrije kunst doet zijn intrede, en daarmee ook de problemen. De artistieke wereld staat op losse schroeven. What a time to be alive.

Hegel heeft ongelooflijk veel moeite moeten doen om te bewijzen dat de kunst een geschikt onderzoeksobject is voor de filosofie, wat veelzeggend is.
Naar mijn mening is de interessantste kunst de kunst die geen kunst wil zijn. De kunst die niet onderworpen wil worden aan de wetmatigheden van de wetenschap. Kunst die niet geclassificeerd wil worden naast een ander kunstwerk, maar die het tegelijk niet erg vindt om op gelijke voet met de tafel van oma geplaatst te worden. Ik spreek hier over de kunst die zich gedraagt met de air van de laatste mens. Nietzsche waarschuwt ons voor de laatste mensen, ik zie hen als een zegen.
Kunst moet zichzelf niet meer serieus nemen, maar niet per sé zoals Nietzsche dat ziet. Ze is nu op een plek in de geschiedenis waarin het geoorloofd, ja, noodzakelijk is om te spelen met alles wat los en vast staat. Dat vraagt om vallen en opstaan, maar in feite is elke val gewoon een teken dat er een opstaan aankomt, en daarom op zichzelf ook een soort van opstaan. Elke periode van laagconjunctuur gaat vooraf aan een periode van hoogconjunctuur.
De kunst is niet ten einde, de kunst is niet verdoemd, en de maatschappij ten gevolge ook niet. Ze is gewoon op zoek naar haar volgend levensstadium.

Er zit dus een proces in de kunst, daar zijn we het voorlopig alle vier min of meer over eens. Dit proces heb ik dus voor mezelf omschreven als een fase in het opgroeien van de kunst.
De tweede belangrijke factor is het probleem van de kunst. Hegel, Nietzsche en Lyotard bestempelen de kunst als hebbende een probleem. Zoals ik heb gezegd, kan ik het daar niet helemaal mee eens zijn. Akkoord, de kunst is enigszins problematisch. Dit wil echter niet zeggen dat de kunst als geheel het verdient om de grond in gestampt te worden. De fundamentele doelstellingen van de kunst veranderen nu gewoon.

Die fundamenten van de kunst zijn altijd in gelijksoortige categorieën op te delen geweest. Kunst heeft bijna altijd een maatschappelijke functie gehad, zelfs in de sterkste l’art pour l’art bewegingen was de kunst toch in zekere zin een vorm van kritiek op de maatschappij. Ook op de kunst, maar misschien nog eerder op de algemene perceptie van kunst die toen leefde. Kunst is een aanklacht aan de maatschappij. Daar is niks mis mee, en bepaalde kunstenaars zullen daar ook nooit van wegstappen. Dat is normaal. Op een gegeven moment kan de kunst zelfs weer op een gelijkaardig punt uitkomen.

De fundamenten veranderen nu. Ik weet niet naar wat ze zullen evolueren, maar die onvoorspelbaarheid is deels ook een legitimatie. Niemand weet hoe de toekomst eruit ziet op enig ander vlak, dus waarom wel op het vlak van kunst? Het lijkt mij nogal hoogmoedig om de toekomst van de kunst a priori vast proberen te leggen.

Om het dus even samen te vatten: ja, de kunst heeft een probleem en nee, het is niet aan de filosofie om dat probleem op te lossen. Bewijzen dat de kunst een geschikt onderzoeksobject is voor de filosofie, is in se tegenstrijdig, want als je zoveel moeite moet doen om alleen maar te bewijzen dat het geschikt is (voorafgaande aan alle andere redeneringen dus!), dan verliest bij iedere zin de tekst een beetje geloofwaardigheid.
De kunst zal dus haar plan moeten trekken. Ik ben er van overtuigd dat ze dat ook kan.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Meer bedenkingen aan het adres van theater, sorry theater.

Er werd de 20ste maart op de kunsthumaniora gezegd dat emotie niet per sé noodzakelijk is om van kunst te kunnen spreken, maar dat het wel het verschil uitmaakt tussen een goed en een slecht kunstwerk, iets waar ik mij tot op zekere hoogte bij aansluit. Persoonlijk denk ik dat De drie zusters een typisch voorbeeld was van een theaterstuk dat niets van gevoelens opwekt. De tekst wordt afgeraffeld, de scènes gespeeld, maar met een schijnbaar gebrek aan emotie en inleving. De acteurs slagen er niet in iets van emotie of interesse op te wekken bij het publiek. Niets is zo storend als een voorstelling waarbij je je constant bewust bent dat het een voorstelling is. Let wel, als het duidelijk onbewust gedaan is. Dat soort toneelstukken en acteurs missen de passie en de energie om iets met de toeschouwer te kunnen doen. Bij schilderkunst is deze incompetentie nog te overzien. Als je een werk in een museum je niet aanspreekt, dan wandel je door en je zoekt tot je er een interessant tegenkom...

Theater en Hamlet

Hoe meer voorstellingen ik dit jaar zie, hoe meer ik begin te vermoeden dat theater een probleem heeft. Ofwel zijn toneelvoorstelling leeg, gekunsteld en zonder inhoud, ofwel kunnen ze nauwelijks nog theater genoemd. Over dit laatste wil ik het vandaag hebben en over de manier waarop Hamlet met het gegeven dat theater een probleem heeft is omgesprongen. Theater is te vaak veel te filosofisch, in de zin dat het toneelspelen bijna wegvalt en het gewoon gaat om de filosofische aard van de tekst. Ik denk dat dit komt omdat theater zoekt naar een nieuwe vorm, iets om te breken met de typische toneelvoorstelling en wil een nieuwe richting uit gaan. Beeldende kunst heeft het veel makkelijker omdat de schilderkunst een bepaalde vorm heeft om op terug te vallen. Om van een schilderij te kunnen spreken heb je altijd iets nodig waarop je schildert en iets waarmee je schildert. Schilderkunst kan met deze twee gegevens echter wel evolueren en zichzelf heruitvinden. Theater heeft het...