Doorgaan naar hoofdcontent

Opdringerige Wiskundigen


De wiskunde wordt door liefhebbers vaak aangeduid als mooi. Ik erger mij iedere keer opnieuw aan de geestdriftige opdringeringerigheid waarmee wiskundigen zich schaamteloos binnen het gebied van de kunst proberen te manifesteren. Deze post geldt als een terechtwijzing voor iedere wiskundefanaat die zich ooit al aan dit misdrijf heeft schuldig gemaakt. Met deze post wil ik dus de stelling dat wiskunde schoon zou zijn in twijfel trekken en daarvoor doe ik een beroep op Kants filosofie van het schone en het sublieme.

Het eerste dat een wiskundeleerkracht een ongeïnteresseerde leerling naar het hoofd slingert, is dat de wiskunde overal in ons leven aanwezig is en dat het bijgevolg onmogelijk is om je niet voor de wiskunde te interesseren.
Vaak wordt hierbij ook verwezen naar kunstwerken met één of andere wiskundige figuur of verhouding, die mooi zijn en dus bewijzen dat de wiskunde ook schoon is.

Eerst moet uiteraard het onderscheid gemaakt worden tussen schoon en subliem, volgens Kant. Volgens Kant hebben we onze redelijke kernvermogens, die ervoor zorgen dat we de realiteit op een bepaalde manier waarnemen. De werkelijkheid zoals ze is kunnen we nooit vatten, omdat onze kernvermogens ten eerste alles al in een bepaald verband plaatsen, zoals tijd en ruimte. Ten tweede zijn onze redelijke vermogens beperkt. Bepaalde dingen overstijgen nu eenmaal ons verstand.
Wanneer iets, bijvoorbeeld een kunstwerk, in overeenstemming is met onze redelijke kernvermogens, dan noemt Kant dat werk schoon. Wanneer iets zich echter voordoet dat we niet kunnen begrijpen, botst datgene met wat we denken te weten. Dit zorgt voor een gevoel van ongemak, angst en fascinatie. Die ervaring noemt Kant het sublieme.

Het beste voorbeeld van toegepaste wiskunde die ons verstand te boven gaat is kosmografie. De afstand tussen de Melkweg en het dichtstbijzijnde sterrenstelsel, de Andromedanevel, bedraagt 2,2 miljoen lichtjaar. Bij die afstand kan niemand zich echt iets voorstellen, dus moet er altijd teruggegrepen worden naar magere vergelijkingen en een schaalvorming om het toch ietwat begrijpelijk te maken. 2,2 miljoen lichtjaar is zelfs nog een vrij kleine afstand binnen ons heelal. Zulke enorme afstanden kunnen wij niet in hun volledigheid vatten. Daarom beroepen we ons dus op schaalmodellen en vergelijkingen met appels en mandarijnen om ons toch een idee te geven van de omvang van ons heelal.

Zoals ik al heb gezegd halen wiskundigen die ongeïnteresseerden willen bekeren tot hun vakgebied graag het argument aan dat wiskunde onvermijdelijk overal in ons dagelijkse leven aanwezig is, toegepast via de natuur en al onze gebruiksvoorwerpen. Vooral de natuur lijkt mij hier interessant, aangezien het schone van Kant meteen het beeld van een idyllisch landschap oproept.
Constable, The cornfield

Dit soort taferelen zijn herkenbaar en rustgevend, omdat ze zo overeenkomen met hoe we de dingen waarnemen. Ze bevestigen de manier waarop wij de werkelijkheid waarnemen met onze redelijke kernvermogens.
Toch schuilt er in dat schijnbaar logische beeld een reeks natuurwetten die allesbehalve eenvoudig zijn.
Dit geldt evengoed voor een sterrenhemel, om maar eens terug te keren naar de kosmografie. Iets wat er zo simpel en bevestigend uitziet, verhult niet alleen een systematische beweging die zowel wiskundig is als ordelijk en redelijk, maar ook die enorme afstanden die op geen enkele manier ten volle te vatten zijn.
Daaruit zouden twee conclusies kunnen worden getrokken. Ten eerste heeft de wiskunde het eerste deel van de argumentatie aan zijn kant: de bewegingen van de sterren verlopen systematisch en ordelijk. Tot op zekere hoogte zit er dus een redelijkheid in.
Daartegenover staan echter die onverbiddelijke afstanden waar men op een gegeven moment niet meer langs kan. Daar heeft het verstand zijn limiet bereikt. Ook al weet men objectief gezien hoe lang een lichtjaar is, een voorstelling ervan maken is onmogelijk. De wiskunde moet zich op een gegeven moment overgeven aan de oneindigheid, die per definitie niet te begrijpen valt. Als men een uur onderworpen wordt aan duizelingwekkende oneindigheden, dan zorgt dat voor een ervaring die we volgens mij gerust subliem mogen noemen.

In de kunst kunnen oneindigheden en onvoorstelbaarheden niet weergegeven worden. Dit volgt uit de definitie van het sublieme. Wat we niet kunnen begrijpen kunnen we ook niet weergeven, omdat het in strijd is met onze redelijke vermogens. Zowel de afmetingen van de kosmos als die van de kern van een atoom zijn te extreem om ons te kunnen voorstellen. We kunnen dus zeggen dat zulke dingen tot het sublieme mogen worden gerekend. Toch klopt er iets niet wanneer we dan zeggen dat een tafel of een landschap ook subliem zijn. Die dingen zijn wél in harmonie met onze redelijke vermogens.
Toch voelt het niet juist om wiskunde schoon te noemen, puur omdat ze in een zekere vorm aanwezig is in alles. Dat is een drogredenering om u tegen te zeggen, van de aard van “mijn pyjama past in mijn koffer en ik pas in mijn pyjama dus ik pas in mijn koffer.”

De conclusie die ik hier moet trekken is dat de wiskunde zich beter niet bemoeit met de kunst. Het kan dan wel zijn dat verf en doeken zijn opgebouwd uit moleculen en dat tussen de takken van bomen die een landschapsschilder tevoorschijn tovert, dat wil nog niet zeggen dat de wiskunde in zichzelf schoon is. Ze mag zich dan manifesteren in het schone, dat wil nog niet zeggen dat ze zelf ook schoon kan worden genoemd.

De kunst bezit namelijk iets dat aan de wiskunde altijd zal ontbreken: de vrijheid, de zelfbeschikking. De kunst heeft volledig vrij spel in het gebied van het schone. Daarbinnen is ze tot alles in staat. De wiskunde beheerst haar speelveld niet half zo goed als de kunst. De wiskunde probeert het sublieme te handhaven en wanneer men merkt dat dat toch niet helemaal werkt, probeert men zich te begeven in het gebied van het schone. De kunst zal daar echter haar plaats als koning van het spelgebied niet afstaan aan een stel wanhopige wiskundeleerkrachten.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Het probleem van de kunst

Een fictieve dialoog  H: ‘Maar man, gij begrijpt toch ook wel dat de kunst zijn werk heeft gedaan voor ons! De Geest heeft zich al geopenbaard, nu vallen we gewoon in herhaling. Napoleon, Jezus aan het kruis en ik, wij hebben een punt achter de geschiedenis gezet.’ N: ‘Wat zit gij nu weer te zeveren over die Geest van u? In de naam van de vader de zoon en de heilige geest amen, zeker? Dat gebazel haalt niks meer uit! De kerken lopen leeg, de ateliers ook. God is dood en het is gedaan met de kunst.’ H: ‘Goed punt, ik denk ook dat de filosofie het dus heeft overgenomen van religie. Wij zullen de mensen bieden wat God hen niet meer kan bieden. Denken over het denken zelf, dát is de superieure vorm van zelfbewustwording waarover ik spreek.’ L: ‘Zelfbewustwording, puh! Daar zegt ge zoiets. Waar in uw redeneringen zegt gij iets over de gruwel van de confrontatie tussen uw bewustzijn en de afgrondelijke gedachte aan het verpletterende niets? Ge zijt allebei aan het zeveren. Kunst...

Meer bedenkingen aan het adres van theater, sorry theater.

Er werd de 20ste maart op de kunsthumaniora gezegd dat emotie niet per sé noodzakelijk is om van kunst te kunnen spreken, maar dat het wel het verschil uitmaakt tussen een goed en een slecht kunstwerk, iets waar ik mij tot op zekere hoogte bij aansluit. Persoonlijk denk ik dat De drie zusters een typisch voorbeeld was van een theaterstuk dat niets van gevoelens opwekt. De tekst wordt afgeraffeld, de scènes gespeeld, maar met een schijnbaar gebrek aan emotie en inleving. De acteurs slagen er niet in iets van emotie of interesse op te wekken bij het publiek. Niets is zo storend als een voorstelling waarbij je je constant bewust bent dat het een voorstelling is. Let wel, als het duidelijk onbewust gedaan is. Dat soort toneelstukken en acteurs missen de passie en de energie om iets met de toeschouwer te kunnen doen. Bij schilderkunst is deze incompetentie nog te overzien. Als je een werk in een museum je niet aanspreekt, dan wandel je door en je zoekt tot je er een interessant tegenkom...

Theater en Hamlet

Hoe meer voorstellingen ik dit jaar zie, hoe meer ik begin te vermoeden dat theater een probleem heeft. Ofwel zijn toneelvoorstelling leeg, gekunsteld en zonder inhoud, ofwel kunnen ze nauwelijks nog theater genoemd. Over dit laatste wil ik het vandaag hebben en over de manier waarop Hamlet met het gegeven dat theater een probleem heeft is omgesprongen. Theater is te vaak veel te filosofisch, in de zin dat het toneelspelen bijna wegvalt en het gewoon gaat om de filosofische aard van de tekst. Ik denk dat dit komt omdat theater zoekt naar een nieuwe vorm, iets om te breken met de typische toneelvoorstelling en wil een nieuwe richting uit gaan. Beeldende kunst heeft het veel makkelijker omdat de schilderkunst een bepaalde vorm heeft om op terug te vallen. Om van een schilderij te kunnen spreken heb je altijd iets nodig waarop je schildert en iets waarmee je schildert. Schilderkunst kan met deze twee gegevens echter wel evolueren en zichzelf heruitvinden. Theater heeft het...